Vocabulaireverzameling Unit 17: Hoeveel kost het T-shirt? in Groep 4: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Unit 17: Hoeveel kost het T-shirt?' in 'Groep 4' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /blaʊs/
(noun) blouse
Voorbeeld:
She wore a silk blouse with a long skirt.
Ze droeg een zijden blouse met een lange rok.
/ˈdʒæk.ɪt/
(noun) jas, jack, omslag
Voorbeeld:
She wore a warm winter jacket.
Ze droeg een warme winterjas.
/dʒiːnz/
(plural noun) jeans, spijkerbroek
Voorbeeld:
She always wears blue jeans.
Ze draagt altijd blauwe jeans.
/ˈdʒʌm.pɚ/
(noun) trui, pullover, springer
Voorbeeld:
It's cold outside, so put on a warm jumper.
Het is koud buiten, dus trek een warme trui aan.
/ˈsæn.dəl/
(noun) sandaal
Voorbeeld:
She wore comfortable sandals to the beach.
Ze droeg comfortabele sandalen naar het strand.
/skɑːrf/
(noun) sjaal;
(verb) schrokken, opschrokken
Voorbeeld:
She wrapped a warm scarf around her neck.
Ze wikkelde een warme sjaal om haar nek.
/ʃuː/
(noun) schoen;
(verb) beslaan
Voorbeeld:
She bought a new pair of shoes for the party.
Ze kocht een nieuw paar schoenen voor het feest.
/skɝːt/
(noun) rok, onderkant;
(verb) omzeilen, langsgaan, vermijden
Voorbeeld:
She wore a long, flowing skirt to the party.
Ze droeg een lange, zwierige rok naar het feest.
/ˈtraʊ.zɚz/
(plural noun) broek
Voorbeeld:
He was wearing a pair of grey trousers and a white shirt.
Hij droeg een grijze broek en een wit overhemd.