Vocabulaireverzameling Eenheid 4: Hoe oud ben je? in Groep 3: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 4: Hoe oud ben je?' in 'Groep 3' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /fɔːr/
(number) vier
Voorbeeld:
There are four seasons in a year.
Er zijn vier seizoenen in een jaar.
/faɪv/
(number) vijf;
(noun) vijftal, groep van vijf
Voorbeeld:
She counted five apples in the basket.
Ze telde vijf appels in de mand.
/sɪks/
(number) zes
Voorbeeld:
There are six apples in the basket.
Er liggen zes appels in de mand.
/ˈsev.ən/
(number) zeven
Voorbeeld:
There are seven days in a week.
Er zijn zeven dagen in een week.
/eɪt/
(number) acht, 8
Voorbeeld:
There are eight planets in our solar system.
Er zijn acht planeten in ons zonnestelsel.
/naɪn/
(number) negen, het getal negen
Voorbeeld:
There are nine planets in our solar system (formerly).
Er zijn negen planeten in ons zonnestelsel (voorheen).
/tuː/
(adverb) te, ook, daarbij
Voorbeeld:
It's too hot to go outside.
Het is te warm om naar buiten te gaan.
/dʒʌmp/
(verb) springen, hossen, schieten;
(noun) sprong, hup, stijging
Voorbeeld:
The cat jumped onto the table.
De kat sprong op tafel.
/jɪr/
(noun) jaar
Voorbeeld:
The new school year begins in September.
Het nieuwe schooljaar begint in september.
/ˈmɪs.tər/
(abbreviation) meneer, heer
Voorbeeld:
Mr. Smith will see you now.
Meneer Smith zal u nu ontvangen.