Vocabulaireverzameling A0 - Familie in A0 - Woordenschat voor beginners: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A0 - Familie' in 'A0 - Woordenschat voor beginners' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /tʃaɪld/
(noun) kind, zoon, dochter
Voorbeeld:
The child was playing in the park.
Het kind speelde in het park.
/ˈtʃɪl.drən/
(plural noun) kinderen
Voorbeeld:
The park was full of laughing children.
Het park was vol lachende kinderen.
/dæd/
(noun) vader, papa
Voorbeeld:
My dad taught me how to ride a bike.
Mijn vader leerde me fietsen.
/ˈfɑː.ðɚ/
(noun) vader, papa, pater;
(verb) verwekken, vader zijn van, oprichten
Voorbeeld:
My father taught me how to ride a bike.
Mijn vader leerde me fietsen.
/ˈmʌð.ɚ/
(noun) moeder, oorsprong, bron;
(verb) bemoeien, verzorgen
Voorbeeld:
My mother always supported my dreams.
Mijn moeder steunde altijd mijn dromen.
/ˈsɪs.tɚ/
(noun) zus, zuster, collega
Voorbeeld:
My older sister lives in London.
Mijn oudere zus woont in Londen.
/ˈbrʌð.ɚ/
(noun) broer, broeder, kameraad
Voorbeeld:
My older brother lives in New York.
Mijn oudere broer woont in New York.
/ˈɡræn.mʌð.ɚ/
(noun) grootmoeder, oma
Voorbeeld:
My grandmother bakes the best cookies.
Mijn grootmoeder bakt de beste koekjes.
/ˈɡræn.fɑː.ðɚ/
(noun) grootvader, opa
Voorbeeld:
My grandfather always tells the best stories.
Mijn grootvader vertelt altijd de beste verhalen.
/ˈkʌz.ən/
(noun) neef, nicht
Voorbeeld:
My cousin from Canada is visiting next month.
Mijn neef uit Canada komt volgende maand op bezoek.