Vocabulaireverzameling Eenheid 16: Waar is het postkantoor? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 16: Waar is het postkantoor?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) plaats, plek, huis;
(verb) plaatsen, leggen, herkennen
Voorbeeld:
(noun) postkantoor
Voorbeeld:
(noun) bushalte
Voorbeeld:
(noun) apotheek, farmacie, apothekerskunst
Voorbeeld:
(noun) bioscoop, filmindustrie, cinema
Voorbeeld:
(noun) museum
Voorbeeld:
(noun) park, reservaat;
(verb) parkeren
Voorbeeld:
(noun) dierentuin, zoo
Voorbeeld:
(noun) theater, theaterkunst, toneel
Voorbeeld:
(noun) restaurant
Voorbeeld:
(noun) supermarkt
Voorbeeld:
(preposition) naast, bijna, vrijwel
Voorbeeld:
(preposition) achter, steunen;
(adverb) achter, te laat;
(adjective) achter, minder succesvol
Voorbeeld:
(preposition) voor, in aanwezigheid van
Voorbeeld:
(adjective) tegengesteld, tegenoverliggend, contrasterend;
(noun) tegenovergestelde, tegenpool;
(preposition) tegenover, aan de overkant;
(adverb) tegenover, aan de overkant
Voorbeeld:
(preposition) tussen;
(adverb) tussen
Voorbeeld:
(phrase) op de hoek
Voorbeeld:
(adverb) vooruit, voorop, in de toekomst
Voorbeeld:
(verb) linksaf slaan, links afslaan
Voorbeeld:
(phrasal verb) rechtsaf slaan, naar rechts afslaan
Voorbeeld:
(adverb) dichtbij, nabij;
(preposition) nabij, dichtbij;
(adjective) nabij, dichtbij;
(verb) naderen, dichterbij komen
Voorbeeld:
(noun) hek, omheining, heler;
(verb) omheinen, afzetten, schermen
Voorbeeld: