Vocabulaireverzameling Eenheid 11: Dit is mijn familie in Groep 3: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 11: Dit is mijn familie' in 'Groep 3' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /ˈbrʌð.ɚ/
(noun) broer, broeder, kameraad
Voorbeeld:
My older brother lives in New York.
Mijn oudere broer woont in New York.
/ˈfæm.əl.i/
(noun) familie, gezin, geslacht;
(adjective) familie-, gezins-
Voorbeeld:
My family is coming to visit next week.
Mijn familie komt volgende week op bezoek.
/ˈɡræn.fɑː.ðɚ/
(noun) grootvader, opa
Voorbeeld:
My grandfather always tells the best stories.
Mijn grootvader vertelt altijd de beste verhalen.
/ˈɡræn.mʌð.ɚ/
(noun) grootmoeder, oma
Voorbeeld:
My grandmother bakes the best cookies.
Mijn grootmoeder bakt de beste koekjes.
/ɪn/
(preposition) in;
(adverb) binnen, thuis, op kantoor;
(adjective) in, populair
Voorbeeld:
The keys are in the drawer.
De sleutels zijn in de lade.
/mæn/
(noun) man, mens;
(verb) bemannen, bezettent;
(exclamation) man
Voorbeeld:
The man walked into the room.
De man liep de kamer binnen.
/ˈfoʊ.t̬oʊ/
(noun) foto
Voorbeeld:
Can I see the photo you took?
Mag ik de foto zien die je hebt gemaakt?
/ˈsɪs.tɚ/
(noun) zus, zuster, collega
Voorbeeld:
My older sister lives in London.
Mijn oudere zus woont in Londen.
/ˈwʊm.ən/
(noun) vrouw
Voorbeeld:
The woman walked into the room.
De vrouw liep de kamer binnen.