Vocabulaireverzameling Unit 4: Op het platteland in Groep 2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Unit 4: Op het platteland' in 'Groep 2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /ˈkʌn.tri.saɪd/
(noun) platteland
Voorbeeld:
We spent our vacation exploring the beautiful countryside.
We brachten onze vakantie door met het verkennen van het prachtige platteland.
/ˈreɪn.boʊ/
(noun) regenboog, scala, verscheidenheid
Voorbeeld:
After the storm, a beautiful rainbow appeared in the sky.
Na de storm verscheen er een prachtige regenboog aan de hemel.
/roʊd/
(noun) weg, straat, koers
Voorbeeld:
The new road connects the two cities.
De nieuwe weg verbindt de twee steden.
/ˈfrend.li/
(adjective) vriendelijk, aardig, onschadelijk
Voorbeeld:
She has a very friendly smile.
Ze heeft een heel vriendelijke glimlach.
/ˈpiːs.fəl/
(adjective) vredig, rustig, vredelievend
Voorbeeld:
The lake was calm and peaceful at dawn.
Het meer was kalm en vredig bij zonsopgang.
/fiːld/
(noun) veld, akker, gebied;
(verb) beantwoorden, afhandelen
Voorbeeld:
The farmer walked across the field to check on his crops.
De boer liep over het veld om zijn gewassen te controleren.
/ˈvɪl.ɪdʒ/
(noun) dorp
Voorbeeld:
She grew up in a small, quiet village.
Ze groeide op in een klein, rustig dorp.
/ˈtʃɪk.ɪn/
(noun) kip, lafaard, bangebroek;
(verb) terugtrekken, laf zijn;
(adjective) laf, bang
Voorbeeld:
She bought a whole chicken for dinner.
Ze kocht een hele kip voor het avondeten.