Avatar of Vocabulary Set A1 - Landen en Nationaliteiten

Vocabulaireverzameling A1 - Landen en Nationaliteiten in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Landen en Nationaliteiten' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

country

/ˈkʌn.tri/

(noun) land, staat, platteland

Voorbeeld:

France is a beautiful country.
Frankrijk is een prachtig land.

United States

/ðə juˌnaɪtɪd ˈsteɪts/

(noun) Verenigde Staten, Amerika

Voorbeeld:

She moved to the United States for college.
Ze verhuisde naar de Verenigde Staten voor haar studie.

American

/əˈmer.ɪ.kən/

(noun) Amerikaan, Amerikaanse;

(adjective) Amerikaans

Voorbeeld:

She is an American by birth.
Zij is van geboorte een Amerikaanse.

canada

/ˈkæn.ə.də/

(noun) Canada

Voorbeeld:

She plans to travel to Canada next summer.
Ze is van plan om volgende zomer naar Canada te reizen.

canadian

/kəˈneɪ.di.ən/

(noun) Canadees, Canadese;

(adjective) Canadees

Voorbeeld:

She is a proud Canadian.
Zij is een trotse Canadese.

United Kingdom

/juːˌnaɪ.tɪd ˈkɪŋ.dəm/

(noun) Verenigd Koninkrijk

Voorbeeld:

The Queen resides in the United Kingdom.
De koningin woont in het Verenigd Koninkrijk.

British

/ˈbrɪt̬.ɪʃ/

(adjective) Brits;

(plural noun) Britten

Voorbeeld:

She has a strong British accent.
Ze heeft een sterk Brits accent.

Germany

/ˈdʒɝː.mə.ni/

(noun) Duitsland

Voorbeeld:

Berlin is the capital city of Germany.
Berlijn is de hoofdstad van Duitsland.

German

/ˈdʒɝː.mən/

(noun) Duitser, Duitsers, Duits;

(adjective) Duits

Voorbeeld:

He is a German who moved to Canada.
Hij is een Duitser die naar Canada verhuisde.

France

/fræns/

(noun) Frankrijk

Voorbeeld:

She dreams of visiting France one day.
Ze droomt ervan om op een dag Frankrijk te bezoeken.

French

/frentʃ/

(noun) Frans, Fransen;

(adjective) Frans

Voorbeeld:

She is learning to speak French.
Ze leert Frans spreken.

spain

/speɪn/

(noun) Spanje

Voorbeeld:

I am planning to visit Spain next summer.
Ik ben van plan Spanje te bezoeken volgende zomer.

Spanish

/ˈspæn.ɪʃ/

(noun) Spaans, Spaanse taal;

(adjective) Spaans

Voorbeeld:

She is learning to speak Spanish.
Ze leert Spaans spreken.

Italy

/ˈɪt̬.əl.i/

(noun) Italië

Voorbeeld:

We are planning a trip to Italy next summer.
We plannen een reis naar Italië volgende zomer.

Italian

/ɪˈtæl.jən/

(noun) Italiaan, Italiaanse, Italiaans;

(adjective) Italiaans

Voorbeeld:

He is an Italian who moved to New York.
Hij is een Italiaan die naar New York verhuisde.

argentina

/ˌɑːr.dʒənˈtiː.nə/

(noun) Argentinië

Voorbeeld:

Buenos Aires is the capital city of Argentina.
Buenos Aires is de hoofdstad van Argentinië.

argentinian

/ˌɑːr.dʒənˈtɪn.i.ən/

(noun) Argentijn, Argentijnse;

(adjective) Argentijns

Voorbeeld:

He is an Argentinian who moved to Spain last year.
Hij is een Argentijn die vorig jaar naar Spanje verhuisde.

mexico

/ˈmek.sɪ.koʊ/

(noun) Mexico

Voorbeeld:

We are planning a trip to Mexico next year.
We plannen volgend jaar een reis naar Mexico.

mexican

/ˈmek.sɪ.kən/

(noun) Mexicaan, Mexicaanse;

(adjective) Mexicaans

Voorbeeld:

Many Mexicans celebrate Día de Muertos.
Veel Mexicanen vieren Día de Muertos.

brazil

/brəˈzɪl/

(noun) Brazilië

Voorbeeld:

Brazil is the largest country in South America.
Brazilië is het grootste land in Zuid-Amerika.

brazilian

/brəˈzɪl.jən/

(noun) Braziliaan, Braziliaanse;

(adjective) Braziliaans

Voorbeeld:

The stadium was filled with cheering Brazilians.
Het stadion was gevuld met juichende Brazilianen.

China

/ˈtʃaɪ.nə/

(noun) China

Voorbeeld:

China is known for its Great Wall and rich history.
China staat bekend om zijn Grote Muur en rijke geschiedenis.

Chinese

/tʃaɪˈniːz/

(noun) Chinees, Chinezen;

(adjective) Chinees

Voorbeeld:

Many Chinese live abroad.
Veel Chinezen wonen in het buitenland.

Japan

/dʒəˈpæn/

(noun) Japan

Voorbeeld:

She dreams of visiting Japan one day.
Ze droomt ervan om op een dag Japan te bezoeken.

Japanese

/ˌdʒæp.ənˈiːz/

(adjective) Japans;

(noun) Japans

Voorbeeld:

She is studying Japanese history.
Ze studeert Japanse geschiedenis.

South Korea

/ˌsaʊθ kəˈriːə/

(noun) Zuid-Korea

Voorbeeld:

Many tourists visit South Korea for its K-pop and historical sites.
Veel toeristen bezoeken Zuid-Korea vanwege de K-pop en historische bezienswaardigheden.

South Korean

/ˌsaʊθ kəˈriːən/

(adjective) Zuid-Koreaans;

(noun) Zuid-Koreaan

Voorbeeld:

The company imports South Korean electronics.
Het bedrijf importeert Zuid-Koreaanse elektronica.

India

/ˈɪn.di.ə/

(noun) India

Voorbeeld:

She is planning a trip to India next year.
Ze plant volgend jaar een reis naar India.

Indian

/ˈɪn.di.ən/

(noun) Indiër, Indiase, Indiaan;

(adjective) Indiaas, Indiaans, inheems Amerikaans

Voorbeeld:

Many Indians celebrate Diwali.
Veel Indiërs vieren Diwali.

Russia

/ˈrʌʃ.ə/

(noun) Rusland

Voorbeeld:

Russia spans eleven time zones.
Rusland beslaat elf tijdzones.

Russian

/ˈrʌʃ.ən/

(adjective) Russisch;

(noun) Russisch, Rus, Russin

Voorbeeld:

She is studying the Russian language.
Ze studeert de Russische taal.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland